Bureau Waardenburg
Varkensmarkt 9
4101 CK Culemborg
T: 0345 512710
e-mail buwa

Lesser black-backed gulls tracked with GPS loggers
U bevindt zich hier:

Kleine mantelmeeuwen in de delta gevolgd met GPSloggers

Wij gebruiken GPSloggers, ontwikkeld door Willem Bouten en team (Universiteit van Amsterdam), om de vliegbewegingen van vogels te volgen. De  techniek hebben wij toegepast bij kleine mantelmeeuwen met als doel vragen over mogelijke effecten van offshore windparken te beantwoorden. We doen dit onderzoek in opdracht van Rijkswaterstaat Waterdienst en Directie Noordzee.

Inmiddels gebruiken we ook GPSloggers bij roerdompen om meer te weten te komen over het gebiedsgebruik van deze geheimzinnige vogel (in opdracht van Landschap Noord-Holland, zie website Vogelbescherming). Opgedane kennis kan gebruikt worden om aanbevelingen te geven voor aangepast landschapsbeheer ter bescherming van deze in Nederland inmiddels zeldzame moerasvogel. 

GPS loggers worden met een soort rugzakje aan een vogel bevestigd. De apparaatjes laden hun batterijen op via zonnepaneeltjes op de bovenkant. Op vaste tijden slaat de logger de actuele positie op waar deze op dat moment is. Zo kunnen zeer gedetailleerde vliegpaden van vogels verkregen worden. De gegevens van de zenders worden via een lokaal netwerk op afstand uitgelezen wanneer de vogels de broedkolonie bezoeken.

Foerageren kleine mantelmeeuwen van een binnenlandkolonie tot op de Noordzee? 

Bij de eerste effectinschattingen bleken significant negatieve effecten op kleine mantelmeeuwen niet op voorhand uit te sluiten. Dit was aanleiding om de aannames ten aanzien van foerageergebieden van kolonies langs de kust (NIOZ) en in het binnenland (Bureau Waardenburg) nader te onderzoeken. Tevens werden broedbiologische gegevens in de kolonies verzameld. 

Het veldonderzoek is uitgevoerd in samenwerking met Roland-Jan Buijs van Buijsecoconsult en medewerkers van Delta Project Management.

Het rapport over het onderzoek is te downloaden vanaf de website van het Informatiehuis Marien van de overheid. U kunt ook het rapport direct downloaden. Op deze website zijn ook de andere onderzoeken in het kader van het Shortlist Masterplan te downloaden, waaronder een programma van zeevogels door middel van vliegtuigtellingen. Lees meer daarover op de pagina over vliegtuigtellingen op deze website.

Aanpak onderzoek

In de kolonie op de Noordplaat (Krammer-Volkerak) werden 9 kleine mantelmeeuwen van een GPS-logger voorzien. Deze loggers zijn ontwikkeld door Willem Bouten en team (Universiteit van Amsterdam). De logger is met een tuigje als een rugzakje op de vogel bevestigd. De loggers laden hun batterijen op via een zonnepaneeltje. Op vaste tijden slaat de logger de positie van de vogel op: vliegpaden en foerageergebieden worden zo gedetailleerd in beeld gebracht. De gegevens worden via een lokaal ontvangststation bij de kolonie op afstand uitgelezen.

Het broedbiologisch onderzoek vond plaats in een omrasterd deel van de kolonie, waardoor de jongen goed te volgen waren.

Resultaten onderzoek

De meeste foerageergebieden lagen in Noord-Brabant en binnen 25 km van de kolonie. Enkele vogels vlogen verder dan 50 km met als maximum 120 km. Vuilstorten vormden de belangrijke foerageerplaatsen gevolgd door graslandgebieden en de zoetwatergebieden rond de kolonie. Tweemal werden foerageervluchten naar de Noordzee vastgesteld. In beide gevallen betrof het vogels waarvan het broedsel waarschijnlijk net tevoren verloren was gegaan.

In de braakballen en braaksels werden geen resten van mariene oorsprong aangetroffen. Ongeveer 80% van de braaksels en braakballen had een terrestrische oorsprong, 6% een zoetwateroorsprong en de overige een gemengde oorsprong. Veel resten van mollen werden teruggevonden. Voedsel afkomstig van vuilstorten is in de braakballen waarschijnlijk onderschat, omdat dit veelal goed verteerbaar is.

Het broedsucces was hoog in vergelijking met dat in andere gebieden. Bijna 90% van de eieren kwam uit en meer dan 60% van de jongen vloog uit. De jongen waren in de leeftijdsperiode van 5-25 dagen zwaarder dan jongen op Texel. Buiten het omrasterde deel was het broedsucces laag: waarschijnlijk predatie door ratten.

Het zenderen van volwassen vogels had wel een negatief effect op het broedsucces: gemiddeld 1,3 jong per paar tegen 2,0 jong per paar in de controlegroep.

Contactpersoon: