Bureau Waardenburg
Varkensmarkt 9
4101 CK Culemborg
T: 0345 512710
e-mail buwa

Marshland mangement
U bevindt zich hier:

Beschermingsplan Moerasvogels

In het Beschermingsplan Moerasvogels worden maatregelen bepleit, die het aantal belangrijke broedgebieden en het aantal broedparen van moerasvogels doen toenemen, zodat 'duurzame' broedpopulaties in Nederland mogelijk zijn. In dit plan is verwoord dat meer kennis van de terreinkeus gewenst is voor het opstellen en uitvoeren van beschermingsmaatregelen. Met name van belang is het kwantificeren van het habitat zodat in plannen concreet de omvang van de verschillende landschapstypen kunnen worden aangegeven aan beheerders.

Bureau Waardenburg heeft in opdracht van Vogelbescherming Nederland onderzoek verricht naar de terreinkeus van vier aandachtsoorten uit het Beschermingsplan: roerdomp, porseleinhoen, snor en baardman. Het bureau heeft een methodiek ontwikkeld om de terreinkeus van deze - en andere - rietmoerasvogels te onderzoeken en te beschrijven in de vorm van habitatmodellen. Met deze modellen blijkt de draagkracht of habitatgeschiktheid van (moeras)terreinen met een grote mate van nauwkeurigheid beoordeeld te kunnen worden. Vervolgens kunnen kwantitatieve richtlijnen opgesteld worden voor beheer- en inrichtingsmaatregelen, die de draagkracht verhogen.

In de aanpak is bewust gekozen voor terreinkenmerken, die in het veld relatief eenvoudig geïnventariseerd kunnen worden en aanknopingspunten bieden voor het beheer. Centraal staat niet de soortensamenstelling, maar de structuur van de vegetatie: hoogte, gelaagdheid, schaal, leeftijd en waterpeil van c.q. in (moeras)vegetaties. Deze kenmerken zijn geïnventariseerd in vakken van 200 bij 200 meter. Per vak is het oppervlak van de structuurtypen bepaald, evenals de schaal en de lengte van grenzen tussen typen (bijvoorbeeld riet-water). Op basis van de verspreiding van deze terreinkenmerken enerzijds en de broedvogelterritoria anderzijds is geanalyseerd welke kenmerken de broedvogelverspreiding en aantallen verklaren. Deze kenmerken zijn geïnventariseerd in verschillende typen moerassen, verspreid over Nederland in rivierenlandschap, zeeklei, duinen hoge zandgronden en laagveen. Het onderzoek leverde voor elke soort een pakket terreineisen op, dat bestaat uit 'kritische terreinkenmerken' en 'drempelwaarden', die in een vak minimaal aanwezig moeten zijn om geschikt leefgebied te vormen.

Habitatmodellen van vier moerasvogelsoorten

Op grond van dit onderzoek is de terreinkeus van de vier genoemde moerasvogelsoorten beschreven in voor Nederland geldende habitatmodellen:

  • De roerdomp kan gekarakteriseerd worden als een vogel van halfopen moerasrijke gebieden met periodiek of permanent in water staande, opgaande en overjarige moerasvegetaties, afgewisseld door min of meer beschut oppervlaktewater en/of extensief beweid grasland. De ecologische betekenis kan gevonden worden in nestplaatskeuze (onderlaag van oud materiaal in opgaande, dichte moerasvegetatie in ondiep water) en foerageerplaatskeuze (met name randen van beschutte rietoevers en in halfopen lage moeras/grazige vegetaties in ondiep water).
  • Het porseleinhoen blijkt een voorkeur te hebben voor relatief grootschalige, lage, jonge moerasvegetaties en grazige vegetaties, die permanent of periodiek in ondiep water staan. In de meeste gevallen gaat het om jonge vegetaties: gemaaid riet en hooiland. De gevonden terreineisen kunnen begrepen worden vanuit nestplaatskeuze (op of dicht boven de bodem of ondiep water in dichte vegetatie) en foerageerwijze (voedsel wordt lopend uit ondiep water en van modderige bodem opgepikt).
  • De snor heeft een voorkeur voor opgaande, overjarige rietvegetaties met een goed ontwikkelde onderlaag van oud plantenmateriaal in ondiep water. De gevonden terreineisen kunnen begrepen worden vanuit de nestplaatskeuze (in dichte vegetatie boven de grond of ondiep water) en de foerageerwijze (lopend, klauterend en huppend in de onderlaag, op zoek naar prooisoorten met een aquatische of semi-aquatische leefwijze).
  • De baardman heeft een voorkeur voor relatief grootschalige, opgaande en overjarige rietvegetaties, die permanent of periodiek in water staan, met een grote randlengte aan min of meer beschutte rietoevers. De terreineisen zijn verklaarbaar op grond van de nestplaatskeuze (onderlaag van moerasvegetatie boven droge grond of ondiep water) en foerageerwijze (met name in riet in water zonder onderlaag langs oevers). Daarnaast is het oppervlak gemaaid rietland van belang voor de winteroverleving.

Uit het onderzoek blijkt dat structuurkenmerken in moerasvegetaties belangrijke factoren zijn voor verspreiding en dichtheid van moerasvogels. Samenvattend voor de vier onderzochte soorten kwamen de volgende structuuraspecten naar voren: schaal, hoogte, waterpeil, leeftijd, onderlaag van oud plantenmateriaal in moeras- en grazige vegetaties, grenzen van riet-beschut water en riet-grasland. Deze terreinkenmerken houden direct verband met het beheer.

  • Rietmaaibeheer beïnvloedt het aanbod aan jong riet, overjarig riet en een onderlaag van oud plantenmateriaal. Een optimale balans is van belang, omdat enerzijds overjarig riet voorziet in broedgelegenheid voor de één (roerdomp, snor, baardman) en anderzijds jonge vegetaties voorzien in broedgelegenheid voor de ander (porseleinhoen) en daarnaast voor voedsel (rietzaad in de winter voor baardman).
  • Begrazing door vee werkt in op de openheid versus beslotenheid en hoogte van moerasvegetaties. Dit kan negatief effect hebben (meer openheid en daardoor minder geschikt als broedplaats), maar ook positief uitwerken (lage open natte vegetaties als foerageergebied voor roerdomp).
  • Het waterpeilbeheer vervult in veel gevallen een sleutelrol in directe zin - het aanbod aan in water staande vegetatie en slikkige bodems - en indirecte zin: ontwikkeling van ruigtevegetaties en daarmee samenhangende afname van het oppervak rietmoeras.

De kwantificering van deze terreinkenmerken biedt concrete richtlijnen voor beheer- en/of inrichtingsmaatregelen, die het leefgebied verbeteren. Dit kunnen maatregelen zijn als meer of minder riet maaien, wijzigen van het begrazingsbeheer, aanpassen van het waterpeil, maaiveldverlaging en het graven van sloten en poelen in rietvelden. Toepassing in de praktijk is uitgevoerd in de Twiskepolder in Noord-Holland, waar in opdracht van de beheerder een inrichtingsvoorstel is uitgewerkt en een evaluatie is uitgevoerd ten behoeve van moerasvogels, waaronder roerdomp, waterral, snor en baardman. Het betreft hier moerasvegetaties, waar de vier doelsoorten in de loop der jaren sterk zijn afgenomen of verdwenen.

  • In de eerste plaats is een inventarisatie van terreinkenmerken uitgevoerd. Vervolgens is met de habitatmodellen in de hand bekeken welke terreinkenmerken te kort schoten om geschikt leefgebied te vormen. Dit bleek voor roerdomp en baardman de randlengte aan beschutte rietoevers te betreffen en daarnaast het oppervlak in water staand riet voor snor en waterral.
  • Vervolgens is de potentie van de terreindelen ingeschat op grond van cijfers uit het verleden, referentiegebieden en ervaring. Met behulp van de habitatmodellen is berekend welke terreinkenmerken, in termen van randlengte aan beschutte rietoevers, oppervlak en schaal van in water staand riet, gerealiseerd moesten worden om leefgebied voor deze soorten te realiseren.
  • In drie terreindelen zijn inrichtingsmaatregelen uitgevoerd, in respectievelijk 1997, 1999 en 2002. In nat rietland betrof dit het uitgraven van rietsloten; in verdroogd en verruigd rietland ging het om maaien van riet en ruigte, verwijderen van de bovenlaag, uitgraven van sloten en opzetten van het waterpeil.
  • Resultaten: Roerdomp, waterral en baardman maakten gebruik van de opnieuw ingerichte terreindelen, als broedgebied en/of als foerageerterrein. Opmerkelijk was de snelheid van het resultaat. In het terreindeel van 1 hectare, dat in 2002 is aangepakt, werd in datzelfde jaar in het afwisseling landschap van ondiepe poelen en sloten, slikveldjes en rietopstanden 24 vogelsoorten waargenomen, waarvan twee soorten tot broeden kwamen: meerkoet en waterral. In de rietopstanden van 3 jaar oud hadden zich ook grauwe gans, wilde eend, kleine karekiet, rietzanger en rietgors als broedvogel gevestigd.
  • Met het ouder worden van de rietvegetatie wordt een hoger rendement verwacht, omdat een onderlaag van oud plantenmateriaal zich verder ontwikkelt, die nestgelegenheid voor de doelsoorten biedt.

Uit dit praktijkvoorbeeld blijkt dat de habitatmodellen goed ingezet kunnen worden voor beheer- en inrichtingsmaatregelen ten behoeve van moerasvogels.

Terug naar Beheer