Bureau Waardenburg
Varkensmarkt 9
4101 CK Culemborg
T: 0345 512710
e-mail buwa

Samenvatting eerste jaar monitoring ecoduct De Munt
U bevindt zich hier:

Samenvatting resultaten eerste jaar monitoring ecoduct De Munt

De frequentie van gebruik bedraagt voor de voornaamste doelsoorten ongeveer 3 tot 4 'passeerbewegingen' per dag voor haas, ca. 1,5 voor ree, 1,0 voor konijn, 0,5 voor vos en bunzing en 0,15 voor egel.

Van de in totaal 72 tijdens T1 waargenomen soorten vogels gebruikt een aanzienlijk deel het inpassingsgebied als broedplaats of foerageergebied. Uitsluitend buizerd, sperwer, patrijs en fazant vertoonden doelgerichte passeerbewegingen over het ecoduct.

Van een structurele vliegroute van vleermuizen over het ecoduct was tijdens T1 (nog) geen sprake. Enkele individuen van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger foerageren regelmatig rond de stobbenwal. Incidenteel passeert een watervleermuis of een rosse vleermuis. Watervleermuis foerageert regelmatig boven de poel aan de westzijde van het ecoduct.

In T1 zijn 13 soorten dagvlinders waargenomen, 8 hiervan ook boven op het ecoduct. Soorten en vooral aantallen zullen de komende jaren nog toenemen. In T1 zijn 10 soorten libellen waargenomen, 2 hiervan ook boven op het ecoduct. Soorten en aantallen zullen de komende jaren nog toenemen. In T1 zijn 2 soorten sprinkhanen waargenomen, ook boven op het ecoduct. Kolonisatie door sprinkhanen gaat trager dan bij andere soortgroepen. Het aantal soorten zal de komende jaren nog aanzienlijk toenemen. Zowel de loopkever- als de spinnenfauna is met relatief weinig en bovendien uitsluitend algemene soorten 'weinig ontwikkeld' te noemen. Aangezien kolonisatie van het ecoduct door beide soortgroepen snel lijkt te verlopen, wordt niet verwacht dat het aantal soorten nog veel zal toenemen. Op het ecoduct zijn in T1 meer zweefvliegen gevangen dan in het achterland. Het ecoduct functioneert voor zweefvliegen relatief goed.

De vegetatie en flora ontwikkelt zich volgens verwachting. De ontwikkeling gaat in PQ1 en PQ3 sneller dan boven op het ecoduct (PQ2) omdat de omstandigheden bovenop droger zijn.

Ten aanzien van de doelstellingen kan geconcludeerd worden dat:

  • Het ecoduct (zeer) regelmatig gebruikt wordt door de beoogde diersoorten.
  • De vegetatie zich naar verwachting ontwikkelt.
  • Er nog steeds geringe aantallen faunaverkeersslachtoffers (met name egel en haas) te vinden zijn op de E19.
  • De frequentie van gebruik van het ecoduct door mensen (met huisdieren en voertuigen) boven verwachting hoog is.

De aanbevelingen in het rapport hebben betrekking op:

  • Behoud en ontwikkeling van waardevolle elementen in het achterland (bosschages, hagen, houtwallen, begroeide greppels / perceelgrenzen etc.) met als resultaat een aaneengesloten netwerk van opgaande landschapselementen die de frequentie van gebruik van het ecoduct door fauna verder zal doen toenemen.
  • Het effectiever uitrasteren van het ecoduct om het aantal verkeersslachtoffers op de E19 verder terug te dringen.
  • Het effectiever weren van mensen (huisdieren, paarden, voertuigen) op het ecoduct.