ENGLISH Engels
home profiel organisatie contact vacatures links
zoek
spacer spacer


       Inventarisatie & Onderzoek
Omvang rietoogst in beeld gebracht

Bureau Waardenburg heeft in opdracht van Vogelbescherming Nederland, in het kader van het Beschermingsplan Moerasvogels, een studie uitgevoerd naar de omvang en ligging van rietoogst in de belangrijkste Nederlandse moerassen. Hieruit blijkt dat ongeveer 30 % van het riet jaarlijks geoogst wordt. In laagveenmoerassen loopt dit op tot 75%. Tevens is onderzocht hoeveel riet moet blijven staan om moerasvogels te beschermen. Hieruit blijkt dat het laten staan van 15 tot 30% van het riet langs de randen van percelen voldoende is om prioritaire soorten als snor, baardman en blauwborst in vergelijkbaar aantal te laten voorkomen als 100% niet gemaaid zou worden. Voor kolonievogels dienen wel grotere oppervlaktes beschikbaar te zijn.

Het rapport is te downloaden op deze website onder Inventarisatie & onderzoek - onderzoek moerasvogels – project rietoogst .Voor meer informatie over moerasvogels verwijzen wij naar de speciale website van Vogelbescherming Nederland www.moerasvogels.nl. Bij het uitkomen van het rapport werd in het moerasgebied de Zouweboezem een levendig interview gehouden met Jan van der Winden, hoofdauteur van het rapport, en opdrachtgever Ruud van Beusekom van Vogelbescherming Nederland door VARA's Vroege Vogels op 16 mei 2004, inclusief rietsnijder die zijn visie op het moerasvogelvriendelijk rietbeheer geeft.

Huidige omvang rietoogst in Nederlandse moerassen en verbetering van rietbeheer voor moerasvogels

De uitvoering van het Beschermingsplan Moerasvogels 2000-2004 (Den Boer 2000) wordt gecoördineerd door Vogelbescherming Nederland. In dit plan is aangegeven dat intensief rietmaaibeheer, als onderdeel van de commerciële rietoogst, een belangrijk knelpunt is voor meerdere aandachtsoorten van het Beschermingsplan Moerasvogels, zoals roerdomp, porseleinhoen, snor en baardman. Er zijn aanwijzingen dat veel van de streefwaarden voor sleutelpopulaties van moerasvogels gehaald zouden kunnen worden indien het rietlandbeheer geoptimaliseerd zou worden voor deze vogelsoorten. Aan de andere kant is rietmaaibeheer noodzakelijk om rietvegetaties op termijn in stand te houden, waarbij de oogst en bijbehorende inkomsten bij kunnen dragen aan het duurzaam behoud van rietlanden. Om effectief beleid te kunnen formuleren en uitwerken, is het onder andere noodzakelijk inzicht te krijgen in de omvang en situering van de commerciële rietteelt in de belangrijkste moeraskerngebieden.

In deze studie is de omvang van commerciële rietoogst in Nederlandse kernmoerassen uitgezocht en digitaal opgeslagen. Daarnaast zijn broedvogeldichtheden in gemaaid en ongemaaid rietland in verschillende moerassen uitgezocht en vervolgens zijn op basis hiervan de potenties voor moerasvogels uitgerekend bij verschillende beheersscenario’s.

In totaal wordt in geheel Nederland 31% van het riet in de kernmoerassen jaarlijks gemaaid voor de verkoop. In de laagveenmoerassen is de druk het grootst (50%). De omvang van de rietoogst is met name in de Makkumer- en Workumerwaard, Weerribben, IJsseldelta en Nieuwkoopse Plassen absoluut en relatief omvangrijk met in de regel meer dan 75% van al het rietland dat commercieel gemaaid wordt.

Er bestaan verschillende methoden en de intensiteit verschilt tussen gebieden. In de meeste gebieden wordt op de gemaaide percelen alles gemaaid op enkele resten langs slootkanten of bosschages na (1% oppervlak resteert). Lokaal worden door beheerders restricties gegeven voor het maaibeheer waarbij een ordegrootte van 10% dient te blijven staan.

De dichtheden van moerasvogels blijken in verschillende gebieden flink te kunnen verschillen. Om potenties in te schatten zijn derhalve de dichtheden per moeras vergeleken met de oppervlaktes gemaaid en ongemaaid rietland. In verschillende scenario’s (van oppervlak overjarig rietland) zijn de potenties uitgerekend per moerasgebied:

  • Aandeel overjarig riet 1% - dit betreft de situatie waarin ‘al het riet’ jaarlijks wordt gemaaid; omdat pleksgewijs randen en overhoeken , die moeilijk of niet bereikbaar zijn voor maaimachines, blijven staan, is het percentage op 1 gesteld.
  • Aandeel overjarig riet 15% - dit betreft de situatie waar in percelen met rietoogst doelbewust randen en/of delen van percelen, waar riet blijft staan gedurende 2 of meer jaren, afhankelijk van de cyclus die wordt gevolgd. Er zijn verschillende prak-tijkvoorbeelden met deze beheersituatie.
  • Aandeel overjarig riet 50% - in dit geval blijven op gehele percelen of in gehele deel gebieden overjarig riet staan.
  • Aandeel 100% overjarig riet – al het riet blijft staan; dit betreft een tijdelijke situatie waarin het riet 2-10 (-20) jaar oud is, afhankelijk van de verlandingssnelheid of maaicyclus die wordt gevolgd.

Aanbevelingen ter verbetering van rietbeheer voor moerasvogels

Een belangrijke conclusie uit het onderzoek is dat het laten staan van 50-100% van het riet voor de meeste soorten naar verwachting geen hoger rendement oplevert dan 15% laten staan op rietoogstpercelen (geldt niet voor kolonievogels). De reden daarvoor is dat de meeste soorten een voorkeur hebben voor randen van rietpercelen, waar ze foerageren langs rietoevers, ruigtezones of struweelranden. In de praktijk blijken het vaak deze randen te zijn die in eerste instantie blijven staan, omdat ze moeilijker bereikbaar zijn voor rietmaaimachines. Het laten staan van grotere oppervlakten naast de randstroken levert dan niet veel extra op voor moerasvogels, enkele soorten uitgezonderd (snor). Indien ongeveer 20%, waaronder enkele aaneengesloten grotere rietlanden voor kolonievogels, van het rietland areaal in natuurbeheer genomen wordt, kan de situatie voor moerasvogels sterk verbeterd worden. Zeker wanneer de maaicyclus plaatselijk verruimd wordt zodat ook overjarig riet van 10 jaar of ouder aanwezig is. In verschillende kerngebieden kunnen op deze wijze kernpopulaties gerealiseerd worden. Indien in meerdere gebieden het rietbeheer op deze wijze gewijzigd wordt, kunnen in diverse provincies verschillende soorten de regionale kernpopulaties gerealiseerd worden. De winst die wordt geboekt volgens het 15% scenario kan een omslag in het denken over wel of geen rietoogst teweeg brengen en de patstelling tussen natuurbeschermers aan de ene en de meerderheid van de commerciële rietsnijders – voor wie bijverdienste en traditie het motief vormen – mogelijk doorbreken.

Copyright © 2010 Bureau Waardenburg